Wat is Kiss

  Herkent u dit?

  • Slaapt uw baby slecht?
  • Heeft u een huilbaby?
  • Ligt uw baby voornamelijk in een vreemde slaaphouding, bijvoorbeeld als een banaan?
  • Kunt u moeilijk borstvoeding geven aan uw baby. Is uw baby dan zeer onrustig of  neemt hij de ene borst beter dan de andere?

Betekenis: Kopgewrichten Invloed bij Stoornissen in de Symmetrie. Oorzaak: Kiss kan door diverse oorzaken ontstaan. De belangrijkste zijn:

  • Trage, langdurige bevalling;
  • Kindje dat met grote moeite wordt geboren, m.b.v. tang of vacuüm;
  • Snelle bevalling;
  • Keizersnee;

Het belangrijkste is dat het nekje van de pasgeborene het hoofdje niet kan volgen waardoor een soort ontwrichting ontstaat. Dat geeft bewegingsbeperking wat de bovenstaande gevolgen genereert.   Symptomen:

  • Niet of beperkt beweeglijk zijn van het hogere deel van de nek van baby’s.
  • Daardoor ernstige afwijkingen in het gedrag, de motoriek en de ontwikkeling van het kind.

Behandeling: 

  • Door een manueel therapeut en/of osteopaat die gespecialiseerd is in KISS baby’s.  Zo’n 2 tot 3 behandelingen geeft al resultaat. Een door het EWMM erkende manueel therapeut vindt u in het register van door de EWMM erkende manueel therapeuten
  • Als deze behandelingen in een vroeg stadium plaats vinden dan is de kans op vervolgschade nihil.
  • Worden de verschijnselen en klachten veronachtzaamd dan leidt het automatisch tot KIDD.

Kiss kun je verdelen in twee verschillende categorieën. Klik hier voor de quickscan.  

Kenmerken en gevolgen:

 

  • Gefixeerde gedraaide stand van het hoofdje, met scheefstand hoofd;
  • Voorkeurshouding; banaanhouding.
  • Motoriek ontwikkelt zich eenzijdig
  • Niet op de buik kunnen/willen liggen;
  • Asymmetrische bilplooi;
  • Enkelzijdige beperking van het heupgewricht (uitsluiten dat het om een geïsoleerd heupprobleem gaat);
  • Slik- en buikklachten;
  • Slaapstoornissen;
  • Ontroostbaar huilen  (meer dan 3 uur per dag);
  • Borstvoeding wordt bemoeilijkt;
  • Afgeplat hoofdje aan de achter- en/of zijkant;
  • Omrollen wordt maar naar één kant ontwikkeld;
  • Geen of nauwelijks een kruipfase;

Kenmerken en gevolgen:

 

  • Hoofdje achterover gefixeerd, in een extreme strekstand;
  • Overstrekken van de hele romp;
  • Afgeplat hoofdje middenachter; asymmetrische schedel
  • Geen oprichtreactie van het hoofdje;
  • Omrollen via druk op het achterhoofd;
  • Staat al met 10 maanden;
  • Kruipt niet of kort;
  • Borstvoeding geeft aan beide zijden problemen;
  • Slechte, houterige, motoriek;
  • Ook slechte motoriek voor de spieren van het gelaat;
  • Uitgebreide slaapstoornissen;
  • Ontroostbaar huilen (meer dan 3 uur per dag);
  • Niet op de buik kunnen/willen liggen.

Symtomen van KISS

 

  • Het hoofd staat scheef en wordt naar één kant gedraaid;
  • Het kind trekt het hoofd naar achteren;
  • Aankleden geeft heftige reacties;
  • Schedelasymmetrie, achterhoofd en voorhoofd; kale plek op het achterhoofd.
  • Slaapstoornissen, veel en hoog huilen (niet in alle gevallen);
  • Prikkelbaar, driftig en onrustig;
  • Aan het haar of oor trekken op één plek haarplukken;
  • Koude handjes en/of voetjes;
  • Slikklachten, overmatig kwijlen;
  • Kuchen zonder verkouden te zijn;
  • Niet willen kruipen, billenschuiver en gaat vroeg staan, vanaf 7 maanden;
  • Vertraagde spraakontwikkeling;

Behandeling

 

  • Door manueel therapeut die in het KISS register staat.
  • Ook een osteopaat behandelt KISS hoewel zij het geen KISS noemen.
  • Beiden zijn zonder verwijzing toegankelijk.
  • Indien u bent u doorverwezen naar een kinderfysiotherapeut, maar de behandeling heeft niet het gewenste effect, kunt u deze kinderfysiotherapeut vragen contact op te nemen met een manueel therapeut uit het KISS register.
  • Over het algemeen hebben kinderfysiotherapeuten en manueel therapeuten die in het KISS register staan contact met elkaar. Ook onderzoeken ze KISS kinderen samen Er worden gegevens uitgewisseld, mits de ouder daarvoor toestemming geeft, en behandelen ook samen. Tevens kan de manueel therapeut de lichamelijke beperkingen wegnemen, waarna de kinderfysiotherapeut het verzoek krijgt om de vertraagde motorische ontwikkeling  in behandeling te nemen.

Verloop van de behandeling

.

  • Onderzoek naar welke symptomen het kindje vertoont. Wat zijn de lichamelijke gevolgen. En welke invloed dat heeft op de ontwikkeling, het hanteren en welbevinden van baby en ouder(s).
  • In onderling overleg wordt een besluit genomen welke behandeling gedaan wordt. De behandeling kan bestaan uit o.a. een aantal lichte beweging bevorderende impulsen op de nek en het bekken van de zuigeling. Van enige manipulatie zoals bij volwassenen is geen sprake. Meestal is er een lichte reactie van het kind zichtbaar. De beweeglijkheid verbetert onmiddellijk en ook het gedrag van het kind verandert.
  • Meestal reageren de ouders al na één behandeling “dat ze een ander kind hebben gekregen”.
  • Deze behandeling zal wellicht een aantal keren herhaald moeten worden om de beweeglijkheid vast te houden. Meestal zijn een vier- tot vijftal behandelingen voldoende om te komen tot een volledig herstel. Het blijkt dat, hoe jonger een kind wordt behandeld, hoe beter en sneller het resultaat tot stand komt.

Na de behandeling

 

  • Vooral de asymmetrische zuigeling, die goed reageerde op de behandelingen, moet in de gaten worden gehouden. Vooral als er sprake was/is van een scheve schedel.
  • Ook de lichte scheefstand van de nek heeft aandacht nodig.
  • De kans dat de asymmetrie zich na een geslaagde behandeling opnieuw terug komt, is aanwezig, zo blijkt in de praktijk.
  • Bij veel kinderen zullen de verschijnselen niet meer terug komen. Echter uit ervaring van veel manueeltherapeuten is gebleken dat soms ouders enkele maanden na de laatste behandeling van hun baby weer contact met hen opnemen. Dit gebeurd omdat hun kindje een aantal verschijnselen vertoont die opvallen. We willen u hierop attent maken, dat dit mogelijk is. Schroom niet om weer contact op te nemen met de manueel therapeut of osteopaat.

Wat zijn dan de verschijnselen?

 

  • Na enige tijd weer (ontroostbaar) gaan huilen en prikkelbaar zijn of worden;
  • Zitten of liggen met een scheef hoofdje of nog erger: het kindje zit met een scheef ruggetje (scoliose);
  • Het kindje gebruikt één handje minder;
  • Het kruipen is afwijkend, zoals het laten hangen van één beentje (altijd hetzelfde beentje). Het kind wordt een “billenschuiver” of blijft “tijgeren”;
  • Het kindje grijpt steeds naar één kant van zijn hoofdje of één oortje, vaak gepaard met huilen. Dan kan gedacht worden aan eenzijdige hoofdpijn vanuit de hoge nekgewrichtjes;
  • Als het kindje loopt, struikelt het veel en dikwijls op dezelfde wijze – meestal is één bekkengewricht en het heupgewricht aan dezelfde kant minder mobiel geworden.